ANALYSE

Milder vonnis in hoger beroep over euthanasie bij demente vrouw

Geen berisping, maar slechts een waarschuwing kreeg de specialist ouderengeneeskunde die euthanasie gaf aan een 74-jarige wilsonbekwame, ernstig dementerende vrouw. In de uitspraak van het hoger beroep onderschreef het Centraal Tuchtcollege weliswaar de conclusies van het Regionaal Tuchtcollege, maar het verbond daar een lagere straf aan. De NVVE is blij met de uitspraak. Nu is het de beurt aan de strafrechter.

Naar het oordeel van het hoogste orgaan in het gezondheidstuchtrecht was met belangstelling uitgekeken. De uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege en eerder al van de Regionale Toetsings­commissie Euthanasie waren in diverse publicaties al onder een vergrootglas gelegd. Juristen, medisch-ethici en artsen hadden er kanttekeningen bij geplaatst. Kijk er niet alleen naar vanuit de wet, maar vooral ook vanuit de medisch-professionele invalshoek, riepen zij in koor. Het lijkt erop dat het Centraal Tuchtcollege voor dat aspect inderdaad iets meer oog heeft gehad.


De tijd rijp > De feiten van de casus op een rij: als in 2012 wordt vastgesteld dat zij de ziekte van Alzheimer heeft, ondertekent de patiënte een behandelverbod en een euthanasieverzoek. Ze schrijft er zelf een dementieclausule bij. Ze wil euthanasie ‘wanneer ik nog enigszins wilsbekwaam ben en niet meer in staat om thuis bij mijn man te wonen. Ik wil beslist niet geplaatst worden in een instelling voor demente bejaarden.’ Een kleine drie jaar later vervangt ze de wilsverklaring. Ze spreekt dan niet meer van ‘enigszins wilsbekwaam’, maar zegt dat ze euthanasie wil ‘wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht’.


In de loop van 2015 wordt de vrouw wilsonbekwaam. Begin 2016 wordt ze opgenomen in een verpleeghuis, waar de specialist ouderengeneeskunde haar als patiënte krijgt. Deze bespreekt haar toestand en wilsverklaringen uitgebreid met haar team, een psychiater (tevens SCEN-arts), een tweede SCEN-arts, de eerste geneeskundige van de instelling, de consulent van de Levenseindekliniek, de expertisemanager specialistische doelgroepen

van het verpleeghuis, de familie en de huisarts. Op

22 april geeft zij de vrouw – in aanwezigheid van haar familie – euthanasie, nadat zij haar eerst koffie met een slaapmiddel heeft toegediend.


Interpretatie > In deze casus moet vooral over drie aspecten juridische duidelijkheid worden verkregen. Het eerste is: mocht de arts op de wilsverklaring vertrouwen en was die duidelijk genoeg? Het tweede luidt: had zij vlak voor de euthanasie de doodswens nog met haar patiënte moeten bespreken? En het derde: mocht de arts een slaapmiddel in de koffie doen?

Met betrekking tot de eerste vraag hebben het Regionaal en het Centraal Tuchtcollege impliciet herbevestigd dat euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring in beginsel is toegestaan, ook bij een wilsonbekwame patiënt met gevorderde dementie.


Maar, een schriftelijk euthanasieverzoek is alleen bruikbaar als dit niet voor meer dan één uitleg vatbaar is. Er is geen ruimte voor interpretatie, zegt het Regionaal Tuchtcollege. In het hoger beroep komt het Centraal Tuchtcollege op dat laatste terug. Het erkent dat interpretatie ‘onontkoombaar’ is.

In dergelijke gevallen moeten de omstandigheden, zoals het gedrag van de patiënt, de overtuiging van de familieleden en het dossier, meegewogen worden. ‘Op dit punt (…) valt de arts niets te verwijten: zij heeft haar afweging op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de relevante omstandigheden gemaakt’, zo staat in de uitspraak van het hoger beroep. Toch was ook ná het afwegen van alle omstandigheden de wilsverklaring nog op meerdere manieren te interpreteren.

De arts heeft de wilsverklaring zo uitgelegd dat de vrouw euthanasie wilde op het moment dat zij in een verpleeghuis zou worden opgenomen. Die uitleg noemt het Centraal Tuchtcollege ‘niet onbegrijpelijk’, en ‘het is ook niet onwaarschijnlijk te achten dat met deze uitleg de wens van de patiënte tot uitdrukking is gebracht’.

Dat er ook nog een andere uitleg mogelijk was, had ertoe moeten leiden dat de arts zich zou houden aan de ‘meest restrictieve’ – lees: letterlijke – lezing. Omdat de patiënte niet meer kon bepalen wanneer zij de tijd voor euthanasie rijp achtte, zoals ze in haar wilsverklaring had opgeschreven, had de arts de euthanasie dus niet mogen verlenen.


Een poging ondernemen > Het tweede aspect draait om de vraag of de arts voldoende met de – dan wilsonbekwame – patiënte heeft gecommuniceerd over het voornemen om haar euthanasie te geven, en over de manier waarop zij dat zou gaan doen.

In 2012 heeft de artsenfederatie KNMG het wettelijk vereiste van ‘consultatie’ van de patiënt aangescherpt, in die zin dat een arts alleen euthanasie mag geven aan een patiënt met vergevorderde dementie als deze, met of zonder woorden, met de (scen-)arts nog kan communiceren over diens doodswens. Beide tuchtcolleges verwerpen deze knmg-norm. In hun uitspraken oordelen het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege – en eerder ook al de rte – wel dat de arts op z’n minst een póging had moeten ondernemen om de euthanasie met haar patiënte te bespreken, ondanks haar wilsonbekwaamheid. Het bespreken van het voornemen, het moment en de wijze van de euthanasie vormen onmiskenbaar een toevoeging aan de vereiste zorgvuldigheid van de uitvoering, zegt het Centraal Tuchtcollege, en mag daarom ‘in beginsel niet achterwege blijven’.

Over het derde aspect – het slaapmiddel in de koffie – oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat dit onder ‘goed hulpverlenerschap’ valt. De arts had het wél met haar patiënte moeten bespreken, ‘ook al lijkt het weinig zinvol en geen redelijk doel te dienen met een volledig wilsonbekwame patiënt’.


Eer en geweten > Hoewel de conclusies van de hogerberoepsinstantie nauwelijks afwijken van het eerdere vonnis, reageerde de nvve blij verrast op de uitspraak. NVVE-directeur Agnes Wolbert zegt erover: ‘Met deze mildere straf is bevestigd dat de arts naar eer en geweten en in het belang van de patiënte heeft gehandeld. Deze zaak bewijst dat zorgvuldigheid bij euthanasie niet uitsluitend over regels gaat, maar ook over de verstandhouding tussen arts en patiënt. Aspecten als empathie en invoelbaarheid moeten zwaar wegen. Nu maar hopen dat de strafrechter ook zal oordelen dat de arts overeenkomstig de wens van de patiënte handelde.’

De zaak dient 26 augustus voor de rechter. De specialist ouderengeneeskunde is inmiddels met pensioen.


Met medewerking van Laura de Vito


Tekst Els Wiegant • Illustratie Peter de Wit4