Dappere dokter Bart Meijman streeft naar optimale, niet naar maximale zorg

‘Daar ben je dokter voor geworden: om betekenisvol te zijn’

Geen maximale, maar optimale zorg. In 2012 startten huisartsen en specialisten een beweging, die Optimale zorg – Dappere dokters werd genoemd. Doel ervan is: samen op zoek gaan naar de meest gunstige (optimale) zorg voor de patiënt, waarbij de mens belangrijker is dan zijn ziekte. De Amsterdamse huisarts Bart Meijman (63), actief betrokken bij Dappere dokters, legt uit waarom.

'Als je de persoon centraal stelt, ontdek je bijvoorbeeld dat twee mensen met dezelfde ziekte een heel andere behandeling nodig kunnen hebben.’

In de curatieve, de behandelzorg wordt dikwijls doorbehandeld, ook al is er geen kans meer op genezing. Het hele arsenaal wordt ingezet. Waarom?

‘Vanwege protocollen die voorschrijven dat als je a doet, b de volgende stap moet zijn. Afwijken van protocollen kost tijd en brengt, als het misgaat, risico’s met zich mee voor de arts, vooral in ziekenhuizen.

Stel, iemand heeft kanker met een slechte prognose. Dan is het makkelijker een behandeling te starten – zelfs al biedt die maar 20 procent, of nog minder, kans op verbetering – dan een gesprek voeren over die laatste levensfase. Want, daarop volgt zeker een tweede – tijdrovend – gesprek, dit keer met de familie. Een zoveelste behandeling starten is het makkelijkst. Dat bedoelen wij met: maximale zorg. Maar als een protocol volgen een schuilplek wordt voor je verantwoordelijkheid ontlopen, dan noem ik dat: gebrek aan moed.

Daarom noemen wij ons Dappere dokters. Omdat het een beetje moed vergt om te streven naar optimale – dat wil zeggen: de gunstigste zorg voor die patiënt – in plaats van maximale zorg. Als je de persoon centraal stelt, ontdek je bijvoorbeeld dat twee mensen met dezelfde ziekte een heel andere behandeling nodig kunnen hebben.’


Kunt u een voorbeeld geven?

‘Als je alleen al ziet hoe verschillend de opvattingen van mensen over niet-reanimeren zijn. Mijn collega en ik nemen in onze praktijk elk jaar alle dossiers van de 75-plussers door. Ruim de helft heeft een of meer aandoeningen, dus die zie je regelmatig en dan is de kwestie meestal al eens aan de orde geweest. Bij de rest kijken we of een gesprek nodig is. We doen dat omdat kwetsbare mensen over dit onderwerp in alle rust moeten kunnen nadenken en praten, ook met hun dokter. Als er dan iets gebeurt, kun je daar tenminste op terugvallen. Besluiten moeten samen met de patiënt tot stand komen.’

Wat zijn de grootste veranderingen in de huisartsenpraktijk geweest?

‘De maatschappij is veranderd. Er kan medisch veel meer. Er wordt veel meer in de eerste lijn gedaan, zonder verwijzing naar de tweede. Praktijken zijn groter geworden en door de feminisering werken meer artsen in deeltijd. Je moet meer aan elkaar overdragen, dus vraagt het bewaken van de continuïteit extra aandacht en tijd.

We krijgen ook taken op ons bord die ik niet tot onze kerntaak vind behoren, zoals preventie. Vanuit de gedachte dat voorkomen beter is dan genezen, zouden wij patiënten nu moeten voorlichten over de risico’s van roken, overgewicht en alcohol. Ik vind preventie een taak van de overheid, dat is ook nog eens goedkoper. Zij moet ervoor zorgen door sigaretten duur te maken en gezond voedsel goedkoop.

Wij dokters zijn er voor de mensen die de pech hebben ziek te worden. Dan nog blijft de vraag of je als dokter wel genoeg tijd besteedt aan mensen die echt ziek zijn – maar het antwoord is zeker ontkennend als hij al die preventieactiviteiten er ook nog eens bij moet doen.’


Waar windt u zich het meest over op?

‘Wij zijn als beroepsgroep druk bezig geweest met het ont-regelen van de zorg; het aantal overbodige regels, procedures en administratieve handelingen verminderen. Daaraan werkt de overheid niet bepaald mee. Elk incident levert weer meer regels op, die vervolgens norm worden. In de zorg zijn specialisten 40 procent van hun tijd met administratie bezig. Dat kost miljarden. Het zou niet meer dan 20 procent mogen zijn.


Verontrustend is ook hoeveel deelspecialisten er zijn, zoveel dat een kankerpatiënt vaak niet eens weet wie zijn hoofdbehandelaar is. Bovendien beperken die specialisten zich tot hun eigen terrein en zijn meestal niet geïnteresseerd in de héle patiënt.

Daar ligt een grote verbindende taak voor de huisarts, en die zou gefaciliteerd moeten worden. Ik wil weten wat de specialisten van plan zijn, weten of het mijn patiënt duidelijk is wat die plannen zijn en of hij het daarmee eens is. Eigenlijk zou een specialist pas betaald moeten worden als er goed overleg is geweest met de huisarts. Zorgcoördinatie behoort tot de kerntaken van de huisartsenpraktijk. Liever bemoei ik me daarmee dan met de levensstijl van mensen.’


Terminaal-palliatieve zorg is ook een van die kerntaken. Wat vergt de begeleiding van een patiënt in zijn laatste levensfase van de huisarts?

‘Als ik praat met collega-huisartsen, blijkt dat een van de uitdagendste kanten van ons beroep te zijn. Het vraagt inspanning en samenwerking met mensen in de directe omgeving, mantelzorgers en wijkverpleging. Omdat het verloop vaak onvoorspelbaar is, moet je kunnen omgaan met angsten van de patiënt, en die van jezelf. Altijd is er de vraag wat acceptabel lijden is, en alles vraagt om maatwerk.

In die zin zijn er overeenkomsten met een bevalling. De twee belangrijkste en mooiste ervaringen in een praktijk zijn leven en dood, verloskunde en het begeleiden van sterven. Daarin kun je als huisarts betekenisvol zijn. En daar ben je dokter voor geworden: om betekenisvol te zijn.’ •


Tekst: Marijke Hilhorst • Foto's: Maurits Giesen