Uit proefschrift Katja ten Cate blijkt:
Persoonlijke meningen arts
spelen rol
i
n levenseindezorg

Artsen zijn zich er dikwijls niet van bewust welke rol hun persoonlijke opvattingen spelen in de levenseindezorg aan hun patiënten. Die conclusie trekt Katja ten Cate (33) uit gesprekken met ruim zestig artsen. Ze sprak ze uitvoerig ten behoeve van haar proefschrift Dokters & doodgaan. Ten Cate is docent medische ethiek en filosofie van de gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit.

Wat waren de opvallendste bevindingen van uw onderzoek?

‘De rol van de arts aan het einde van het leven is steeds groter geworden. Artsen blijken er veel verschillende, en soms hoogstpersoonlijke, visies op goed sterven op na te houden. Die kunnen van invloed zijn op de zorg die ze verlenen. Zo belde een huisarts de kinderen van een patiënt om te vertellen dat hun vader ging sterven, terwijl ze wist dat haar patiënt dat niet wilde. Zij vond goed afscheid nemen heel belangrijk.

Uit de gesprekken bleek ook dat huisartsen nogal eens inpraten op patiënten: dat ze berusting en acceptatie moeten vinden voor het feit dat ze gaan sterven. Anderen vonden dat patiënten nog ruzies met familieleden moesten bijleggen. Een enkeling nam daar zelfs een mediërende rol in. Er waren ook huisartsen die een euthanasieverzoek niet inwilligden omdat de patiënt nog onopgeloste conflicten had, of nog te boos zou zijn over het naderende einde.

Sommige huisartsen beschouwden de aversie van een patiënt tegen afhankelijkheid niet als serieus lijden. Aftakeling en afhankelijkheid horen nu eenmaal bij het leven, en patiënten moeten daarmee leren omgaan, vonden ze.’


In hoeverre waren die bevindingen anders dan u had verwacht?

‘Waarover ik me het meest heb verbaasd, is dat veel artsen aangaven moeite te hebben met het onnatuurlijke karakter van euthanasie. Ten eerste zie ik niet zo’n groot contrast tussen euthanasie en bijvoorbeeld het staken van een behandeling, iets wat wél als natuurlijk wordt beschouwd. Je kunt je afvragen in hoeverre in Nederland, anno nu, sterven überhaupt nog natuurlijk kan worden genoemd. Aan bijna elk overlijden gaan immers tal van behandel- en niet-behandelbeslissingen vooraf.

Ten tweede wordt een natuurlijk overlijden door artsen soms als beter voorgesteld dankzij een – in mijn ogen – vals romantisch beeld van sterven. De natuur is lang niet altijd mooi, maar vaak heel wreed.’


Zitten persoonlijke opvattingen dikwijls in de weg als het om een euthanasieverzoek gaat?

‘Bijna niemand kijkt uitsluitend naar de wettelijke eisen die aan euthanasie verlenen worden gesteld. Logisch, want die zijn vrij abstract geformuleerd. Ze bieden ruimte voor interpretatie, met name over wat verstaan moet worden onder ‘ondraaglijk lijden’.

Het kan zijn dat artsen menen dat niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Dokters zijn niet allemaal op de hoogte van de bandbreedte van de wet. Een weigering kan ook te maken hebben met een specifieke interpretatie van bijvoorbeeld de eis van ondraaglijk lijden. Soms denkt een dokter: als iemand in huis rondloopt, is het lijden nog niet ondraaglijk.

In mijn optiek zou het aan de patiënt moeten zijn om te bepalen wanneer hij ondraaglijk lijdt. De arts moet het natuurlijk wel kunnen begrijpen, het lijden kunnen invoelen. Ik ben geen voorstander van een “u-vraagt-wij-draaien”, je moet als arts het gevoel hebben dat je iemand helpt omdat je snapt dat hij erg lijdt. Maar overheersen de persoonlijke overwegingen, die niks met de wettelijke eisen of de interpretatie daarvan te maken hebben, dan ben ik kritisch.’


Wat als de opvattingen over goed sterven tussen arts en patiënt niet overeenkomen?

‘Ik pleit er in mijn proefschrift voor dat de arts op een niet-veroordelende manier met de patiënt in gesprek gaat over zaken als: (kwaliteit van) leven, lijden, aftakeling, afhankelijkheid en sterven. Daarbij moet hij niet alleen zijn eigen visie inbrengen, maar ook openstaan voor de ideeën van de patiënt en bereid zijn daar wat van te leren. Dat is iets wat aan te leren valt, dus daar zie ik een taak voor de opleiding en de bij- en nascholing.

Een dialoog houd je met zijn tweeën, dus ook van de patiënt wordt iets verwacht. Die moet tijdig het gesprek met de arts aangaan, het liefst op een open manier, en op zijn beurt ook begrip kunnen opbrengen voor de visie van de arts. Wel vind ik dat de arts zich dienstbaar, ondersteunend en bescheiden moet opstellen. Het gaat tenslotte om de patiënt. Komen er in zo’n gesprek onoverbrugbare verschillen aan het licht, dan raad ik de patiënt aan een andere dokter te zoeken.’


Wat kunnen de medische wereld, patiënten, de politiek en wetgevers met de resultaten van uw onderzoek?

‘Artsen roep ik op tot meer bewustwording en reflectie. Ik hoop vooral dat mijn conclusies het onderwijs bereiken. Verder pleit ik voor een hernieuwd maatschappelijk debat en her-evaluatie van de bijzondere status van levensbeëindigend handelen (die nu – in tegenstelling tot regulier medisch handelen – kan leiden tot strafvervolging, red.). In mijn optiek zijn de morele verschillen met bijvoorbeeld het staken van een levensreddende behandeling op verzoek van de patiënt, niet zo groot dat ze die status rechtvaardigen.’


Heeft u zelf ervaring met euthanasie?

‘Ik heb alleen te maken gehad met een geweigerd euthanasie­verzoek. De doodswens van mijn opa werd door zijn huisarts niet serieus genomen. Een duidelijk voorbeeld van een dokter die zijn eigen opvattingen leidend liet zijn. Door deze ervaring werd het voor mij nog duidelijker waarom ik dit zo kwalijk vind. De impact van het doen en laten van de dokter op de nabestaanden is groot rond een sterven. Voor mij zal het handelen van mijn opa’s huisarts voor altijd in negatieve zin verbonden zijn met mijn herinnering aan hem.’


Tekst: Marijke Hillhorst • Fotografie: Stijn Rademaker