De levenseindebegeleider: wie, wat en hoe?

In het conceptwetsvoorstel Waardig Sterven van D66-Kamerlid Pia Dijkstra is een belangrijke rol weggelegd voor de levenseindebegeleider. Met het voorstel wil zij hulp bij zelfdoding mogelijk maken voor ouderen die hun leven voltooid vinden. Hoe moet deze nieuwe functie worden ingevuld? En door wie? Over onder meer die vraag raadpleegt Dijkstra allerlei partijen en deskundigen. Wat vinden die er zoal van?

Wel of niet BIG-geregistreerd? > In het conceptwetsvoorstel, dat ze eind 2016 presenteerde, stelt Pia Dijkstra dat de levenseindebegeleider big-geregistreerd moet zijn. big staat voor Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Voor bepaalde beroepen in de zorg is inschrijving in dit register verplicht.

De nvve steunt dit onderdeel van het conceptwetsvoorstel, zegt bestuurder Agnes Wolbert. Ze benadrukt dat het bij voltooid leven gaat om een traject dat in eerste instantie niet medisch is. Daarom zouden ook niet-medische hulpverleners de mogelijkheid moeten krijgen om als levenseindebegeleider opgeleid en big-geregistreerd te worden.

‘De niet-medische hulpverleners, bijvoorbeeld geestelijk verzorgers of psychotherapeuten, zouden een kopstudie kunnen volgen (een studie die je kunt doen na het afronden van een bachelor van bepaalde studierichtingen, red.). Zo zouden zij over voldoende kennis beschikken om te kunnen uitsluiten dat iemands stervenswens het gevolg is van een medische aandoening. Omgekeerd zouden hulpverleners met een medische achtergrond bijgeschoold moeten worden in levenseindevragen.’ Wolbert benadrukt dat zowel de medische als niet-medische hulpverleners voldoende ‘vliegjaren’ moeten hebben gemaakt voordat ze tot de opleiding kunnen worden toegelaten.


Wie kan de functie vervullen? > Andere vraag is wie de functie van levenseindebegeleider zou kunnen vervullen. Erwin Kamp, geestelijk verzorger bij Defensie, schuift zijn vakgenoten naar voren. ‘In plaats van een nieuw beroep en dito opleiding te creëren, kunnen we geestelijk verzorgers inzetten. Het levenseinde is immers bij uitstek een vraag over levensbeschouwing.’

Hoogleraar Humanisme en Filosofie Joachim Duyndam is het met hem eens. ‘Tijdens een zesjarige wetenschappelijke opleiding zijn geestelijk verzorgers hiervoor geschoold. Velen hebben jarenlange ervaring en expertise op dit gebied.’

Kamp zou de geestelijk verzorger het liefst willen stationeren als praktijkondersteuner in de huisartsenpraktijk. ‘Ze zouden zich dan niet alleen ’

met vragen rond voltooid leven kunnen bezighouden, maar met álle zingevingsvragen. En, als het aan de orde is, kunnen zij bij de huisarts bepleiten dat iemand in aanmerking komt voor levensbeëindiging.

Ook Kees Kraaijeveld, directeur van de Argumentenfabriek, ziet wel wat in het voorstel. ‘De levenseindebegeleider moet in ieder geval niet alleen de dood in zijn gereedschapskist hebben zitten. Er zijn vaak meer levensvragen aan de orde dan alleen de wens om uit het leven te stappen. Bovendien behoudt de arts in dit voorstel de sleutel van de medicijnkast, dat scheelt een hoop gedoe.’

Psychiater en scen-arts Ria van der Meer maakt zich ‘ernstige zorgen’ over mensen met psychische klachten. ‘Ouderen hebben vaak depressies die niet worden herkend, maar die goed te behandelen zijn.’ Zij pleit ervoor dat het proces wordt omgedraaid: de vraag om stervenshulp wordt bij de huisarts neergelegd en deze vraagt de medewerking van een levenseindebegeleider.


Rol voor de (huis)arts of niet? > Of het inzetten van (huis)-artsen in het traject een verstandige keuze is, wordt betwijfeld door Jacintha De Roeck, adviseur medische ethiek van de Vlaamse liberale partij 0pen vld en voorzitter van leif Antwerpen (leif is het Belgische forum voor mensen die streven naar een waardig levenseinde). Zij was nauw betrokken bij de totstandkoming van de Belgische euthanasiewet.

‘In dit voorstel zetten geestelijk verzorgers het traject in en moeten artsen het afmaken. Daar lenen zij zich niet voor. Bovendien werken lang niet alle huisartsen mee aan euthanasie. Bij voltooid leven zal dat nog minder het geval zijn en zullen dus veel mensen niet worden geholpen. Met een tweede oordeel van een arts kom je bovendien weer in de medische route terecht, wat mensen juist niet willen. Eigenlijk doe je met deze voorstellen niet meer dan een aspect toevoegen aan de huidige euthanasiewet.’

Eugène Sutorius, emeritus hoogleraar strafrecht en oud-voorzitter van de nvve, valt haar bij. ‘Artsen moeten niet de eerst aangewezenen

zijn bij de uitvoering. We moeten af van de medicalisering van voltooid leven. Het gaat immers over mensen die niet ziek zijn. Een nieuwe groep hulpverleners moet de basis­verantwoordelijkheid krijgen voor deze problematiek.’ Maar wat als er tijdens de uitvoering van een zelfdoding iets misgaat, bijvoorbeeld omdat de cliënt moet braken of het stervensproces te lang duurt? ‘Niet- medische levenseinde­begeleiders missen de kennis om op zo’n moment in te kunnen grijpen’, constateert bestuurder Steven Pleiter van de Levenseindekliniek.

Filosoof en levenseindecounselor Ton Vink relativeert dat. ‘Mijn ervaring is dat met de juiste middelen en goede informatie de angst dat het misgaat, weggenomen kan worden. Gemiddeld duurt het overlijden twintig minuten, meestal gaat het sneller en incidenteel duurt het een aantal uren. Als dit duidelijk wordt gemaakt aan de naasten, is dat niet zo’n verschrikking.’


En wie verstrekt het dodelijke middel? > Ook het uitschrijven van een recept voor het dodelijke middel en het verstrekken ervan door de levenseindebegeleider is punt van discussie. Vink heeft als counselor nooit de positie willen hebben om middelen voor levensbeëindiging aan zijn cliënten te verstrekken. ‘Ik ben blij

dat ik nooit hoefde te zeggen: oké, ik zal u de middelen geven.

Want daarmee komt de uiteindelijke beslissing toch weer bij een ander te liggen en niet bij de hulpvrager zelf.’

Het liefst zou Vink zien dat de hulpvragers zelf het dodelijke middel verwerven. ‘Zo dragen zij zelf de volledige verantwoordelijkheid en hoeven levenseindebegeleiders niet te beslissen wie het dodelijke middel wel of niet krijgt. Zij kunnen zich dan puur concentreren op gesprekken over de doortimmerdheid van het besluit, eventuele alternatieven, de uitvoering, gesprekken met naasten, de nazorg en dergelijke.’•

Het conceptwetsvoorstel Waardig Sterven

In december 2016 presenteerde D66-Kamerlid Pia Dijkstra het conceptwetsvoorstel Waardig Sterven. De wet moet het mogelijk maken dat ouderen die hun leven voltooid vinden maar nog gezond zijn, hulp bij zelfdoding kunnen krijgen. In het concept staat dat de hulpvrager minimaal 75 jaar moet zijn en dat er sprake moet zijn van een ‘duurzame, weloverwogen en intrinsieke doodswens’.

Twee speciaal opgeleide levenseindebegeleiders zouden de hulpvraag moeten beoordelen en toetsen.

De eerste voert minimaal twee gesprekken met de hulpvrager. Daar moet minstens twee maanden tussen zitten. Hierna volgt een gesprek met een tweede levenseindebegeleider. Die toetst de hulpvraag opnieuw aan de zorgvuldigheidseisen.

De levenseindebegeleider zou opgenomen moeten zijn in het BIG-register, maar hoeft geen arts te zijn. In het conceptwetsvoorstel kan het ook een psycholoog, psychotherapeut of verpleegkundige zijn.

De levenseindebegeleider zou de bevoegdheid moeten krijgen een recept uit te schrijven voor middelen tot zelfdoding. Hij zou de middelen aan de hulpvrager verstrekken en aanwezig zijn bij de zelfdoding. De procedure zou achteraf door een commissie moeten worden getoetst.

In opdracht van het ministerie van VWS voert de Universiteit voor Humanistiek en het Julius Centrum van het UMC Utrecht een onderzoek uit naar de doodswens bij voltooid leven. Dat moet dit jaar worden afgerond. Afgesproken is dat Dijkstra haar voorstel pas zal indienen als de uitkomsten van dit onderzoek bekend zijn.

Tekst: Marleen Peters | Illustratie: Rhonald Blommestein