Promotieonderzoek Jan Bollen naar orgaandonatie na euthanasie wijst uit:

Donor­nieren functio­neren prima na euthanasie

Als arts mag je er niet over beginnen: de optie je organen te doneren na euthanasie. Dat zou druk kunnen leggen op de patiënt. Dat wil niet zeggen dat het niet tot de mogelijkheden behoort, zoals ook blijkt uit het promotieonderzoek Organ donation after euthanasia van Jan Bollen.

Jan Bollen was student geneeskunde aan de Universiteit Maastricht toen in 2014 voor de derde keer iemand na euthanasie organen had afgestaan. Maastricht umc wilde voorbereid zijn voor als een patiënt met een dergelijk verzoek bij hen zou komen.

Bollen, die zowel medisch als juridisch is opgeleid, kreeg in Maastricht de gelegenheid aan de slag te gaan met het onderwerp. Hij werkte mee aan de handreiking die het ziekenhuis samen met het Erasmus mc opstelde voor de procedure. In 2017 volgde een landelijke richtlijn. Dat is nuttig, want er is een stijgende lijn in aantallen te zien. Inmiddels hebben rond de zestig mensen na euthanasie hun organen gedoneerd.

Het mumc bleek eind vorig jaar het enige ziekenhuis te zijn dat wél wilde ingaan op de wens van de 45-jarige Martijn, die na jaren met psychische problemen gekampt te hebben, euthanasie kreeg en zijn organen per se voor donatie wilde afstaan. Over zijn casus publiceerde de Volkskrant begin januari een reportage. Naar aanleiding van de ervaring met Martijn onderzoekt Bollen nu waarom ziekenhuizen mensen met psychische klachten wel of niet helpen bij orgaandonatie na euthanasie. De resultaten zullen in de nieuwe versie van de richtlijn worden meegenomen.


Laatste wens > De jonge promovendus draagt zijn promotieboek op aan alle mensen die gedoneerd hebben na euthanasie. ‘Wij zijn niet bezig met wachtlijsten wegwerken van patiënten die op een orgaan wachten. Dat zou een verkeerde prikkel opleveren. Waar het om gaat, is de laatste wens te kunnen uitvoeren van mensen die komen te overlijden door euthanasie. Als het iemand een goed gevoel geeft op die manier iets te kunnen nalaten, nog iets te kunnen betekenen voor een ander, is het mooi als we aan die wens

tegemoet kunnen komen.’ Dat was precies de reden dat de 45-jarige Martijn zo zijn best deed om zijn organen te doneren.

Helemaal zonder haken en ogen is orgaandonatie na euthanasie niet. Daarom is het belangrijk dat zowel artsen als patiënten op de hoogte zijn van de mogelijkheden én onmogelijkheden. ‘Een hart doneren, wat veel mensen graag willen, is onmogelijk na euthanasie. Dat kan alleen bij iemand die hersendood is verklaard. Zodra je overlijdt, ontstaat er namelijk schade aan het hart.

Soms willen mensen dat echter zo graag, dat ze voorstellen het hart eruit te halen als ze onder narcose worden gebracht vóór ze euthanasie krijgen. Een ingreep die technisch weliswaar mogelijk zou zijn, maar juridisch niet. Nog even los van de vraag wat dat voor een arts zou betekenen. Je verwijdert dan toch een hart uit een nog levend persoon.’


Staven met onderzoek > Slechts 10 procent van de mensen die euthanasie krijgen, kan mogelijk organen doneren. En dan gaat het vooral over nieren, longen, de lever en de alvleesklier van mensen die lijden aan ziektes als als en ms. Mensen met kanker komen eigenlijk niet in aanmerking.

Bollen onderzocht onder meer of organen na euthanasie überhaupt geschikt zijn voor donatie. ‘Ik vermoedde van wel, maar het is belangrijk dat vermoeden te staven met onderzoek. Daaruit bleek dat deze nieren beter functioneerden dan bij mensen die doneren nadat hun behandeling op de intensive care was gestaakt. Ik heb de nieren onderzocht, want daar zijn er twee van, wat de onderzoeksgroep groter maakte. En bovendien zijn de longen van bijvoorbeeld als-patiënten soms beschadigd door veel verslikken.

Ik heb me om die redenen dus gericht op de nieren van mensen die overlijden door euthanasie. Die blijken dezelfde kwaliteit te hebben als de nieren die zijn gedoneerd na hersendood.

In dat laatste geval functioneren de organen namelijk gewoon door, in het geval van euthanasie worden ze heel snel na het overlijden uitgenomen. Voor betrokkenen is dat vaak ingrijpend. Toch leert de ervaring dat het op het moment zelf allemaal emotioneel is, maar dat nabestaanden vaak met een goed gevoel terugkijken op het proces als een donatie is gelukt.’


Onnodige druk > ‘Communicatie tussen de arts en patiënt is van groot belang’, benadrukt Bollen. ‘De patiënt moet zich realiseren dat er soms belastende onderzoeken nodig zijn om te weten of iemand als donor geschikt is. Soms willen mensen ook heel graag weten of er een geschikte donorontvanger is gevonden. Maar die informatie mag de arts niet delen, omdat dat onnodige druk zou kunnen leggen op de patiënt. Die moet immers ieder moment terug kunnen komen op zijn besluit en dat is misschien niet eenvoudig als hij weet dat er bijvoorbeeld twee mensen liggen te wachten op zijn organen.

Daarnaast willen veel mensen het liefst thuis overlijden. Dat is mogelijk, maar niet eenvoudig. Het is inmiddels drie keer voorgekomen. Het betekende dat een patiënt onder narcose werd gebracht in zijn eigen omgeving en daarna met een ambulance naar het ziekenhuis werd vervoerd, waar de euthanasie door de huisarts werd uitgevoerd. Het is anders namelijk onmogelijk de organen op tijd te verwijderen.

Patiënten die erop staan om het dodelijke drankje zelf in te nemen, komen niet in aanmerking voor orgaandonatie. Vaak duurt het stervensproces dan toch langer en is het iets minder voorspelbaar. Iemand moet dus akkoord gaan met euthanasie en niet hechten aan de mogelijkheid van hulp bij zelfdoding (zoals dit formeel volgens de wet heet, red.).’


Tekst: Martien Versteegh • Fotografie: René ten Broeke

Deel deze pagina