Liesbeth Dingemans streed voor waardig heengaan van vader in verpleeghuis

‘Ik had zo een stoel door het raam kunnen kieperen’

Als gekooide tijgers: zo zag Liesbeth Dingemans (51) haar ouders – 81 en 80 jaar – wekenlang wegkwijnen achter het raam van hun verpleeghuis. Totdat haar vader corona kreeg en ze niet anders kon dan strijden voor zijn waardige heengaan.

LLiesbeth Dingemans streed voor waardig heengaan van vader in verpleeghuis 'Ik had zo wel een stoel door het raam kunnen kieperen'

Als gekooide tijgers: zo zag Liesbeth Dingemans (51) haar ouders – 81 en 80 jaar – wekenlang wegkwijnen achter het raam van hun verpleeghuis. Totdat haar vader corona kreeg en ze niet anders kon dan strijden voor zijn waardige heengaan.

Ik hoor het me op 18 maart nog zeggen tegen mijn ouders: “Gelukkig maar dat ik hier bij jullie kan zijn, want in België zijn alle verpleeghuizen op slot.” Een dag later kwam bij ons de lockdown. Als een gek sjeesde mijn zus naar het verpleeghuis. “Anders kan ik ze nooit meer zien”, riep ze met een vooruitziende blik door de telefoon. Ze heeft een tel naar binnen kunnen glippen en gedag gezegd. Daarna begon de ellende.’ ‘Sinds een jaar woonden mijn vader en moeder in hetzelfde verpleeghuis. Tot die tijd hadden ze het nog samen weten te redden, dankzij intensieve thuishulp en mantelzorg van ons, dierbare vrienden, buren en ingehuurde krachten. De stap naar de zorginstelling was uiteindelijk onvermijdelijk, maar vooral voor mijn vader een crime; hij is altijd beweeglijk geweest. Ondanks zijn dementie wilde hij niets liever dan erop uit. Gelukkig konden ze terecht in een kleinschalig onderkomen met een aantrekkelijke tuin met vogels, kippen en konijnen. Zo vaak we konden, gingen we langs. Trouwe vrienden, buren en kennissen kwamen geregeld aanwaaien en voor uitjes buiten de deur huurden we extra mantelzorg in. Gezelligheid en mensen: daar bloeiden mijn ouders van op, óók in het verpleeghuis.’ Onrust > ‘Na de sluiting deden de verpleeghuis­medewerkers er alles aan om het gebrek aan contact te compenseren, zowel naar onze ouders als naar ons toe. In dagelijkse nieuwsbrieven lazen we over het reilen en zeilen binnenshuis, en via het zorgsysteem kregen we de feitelijke status over onze ouders door: wanneer ze hadden gegeten, hoe ze sliepen. Toch was ik vooral bedrukt over mijn vader: die voelde zich sowieso al opgehokt, hoe moest dat nu?’ ‘Aanvankelijk was er geen corona in het huis en konden de bewoners op anderhalve meter de tuin in. Maar na de eerste besmettingen mocht niemand de kamer af. Ik dank de hemel dat mijn ouders overdag samen konden zijn op mijn moeders kamer, die uitkeek op de parkeerplaats. Van daaraf zwaaiden we en belden met mijn moeder. Mijn vader kon door zijn afasie niet meer goed praten en begreep er niks van waar we bleven; je zag zijn onrust door het raam.’ ‘Half april lazen we in een update dat hij was gevallen en verhoging had. Hij kwam niet meer uit bed en had geen eetlust. De verzorging zag daar geen gevaar in, maar wij sloegen meteen alarm: als onze vader weigert bonbons te eten en op te staan, dan is er iets goed mis. We wilden dolgraag naar hem toe, maar dat mocht alleen bij “terminaal zieken”, kregen we als antwoord.

Maar wie bepaalt wat “terminaal” is? Ik moest er niet aan denken dat hij eenzaam zo ziek zou zijn. We zijn gaan strijden om hem te mogen zien. Echt, ik had zo een stoel door het raam kunnen kieperen, zo onmachtig voelde ik me. Na flink soebatten mochten we hem bezoeken, bescherming moesten we zelf regelen. Via ons netwerk wisten we in no time vuurwerk­brillen, schorten, mondkapjes en handschoenen bij elkaar te sprokkelen. Ongelooflijk toch?’ Zelf googelen > ‘Eenmaal binnen, wisten we niet wat we zagen: een hijgende schim van onze vader. Alles deed hem pijn en mijn moeder zat er beduusd bij. Dit is geen leven, zagen we meteen. De geriater was een vervanger die het tijdens dat fameuze “coronaweekend” – verpleeghuis­bewoners vielen bij bosjes – in tien huizen moest zien te bolwerken. Ook in het tehuis van onze ouders voelden we de paniek. De overbelaste arts had weinig oog voor de situatie van mijn vader. Op ons verzoek om zijn leed te verzachten en met palliatieve sedatie te starten, reageerde hij ontwijkend. Onze redding was dat mijn zus het verpleeghuis een week eerder had geattendeerd op het levenstestament van onze ouders, inclusief een behandelverbod. Toen we zijn wensen benadrukten en de arts het systeem indook, stemde hij toe om elke vier uur morfine te geven en, als dat niet genoeg zou zijn, dormicum. Maar hoe het nu zat met de doses en het verloop van zo’n proces? We hadden geen idee en zijn zelf maar gaan googelen. Om de zoveel uur vroegen we om ophoging van de dosis.’ ‘Het waren onwerkelijke dagen. Nog kan ik niet bevatten hoe we erbij zaten als gezin: mijn vader steeds meer afglijdend, wij in die gekke pakken om hem heen, mijn moeder die onrustig heen en weer schuifelde tussen mijn vader en haar eigen kamer. Ze had zo goed door wat er speelde. En ondertussen was er nauwelijks een verzorger die tijd had om naar ons om te kijken. Na twee dagen begon mijn vader te reutelen, we voelden dat het afliep. We zetten zijn favoriete muziek op en luisterden ondertussen naar zijn gereutel en een spontane merel. Even later was er alleen nog de muziek en de merel. Papa was overleden. Godzijdank met ons erbij.’ Alleen verwerken > ‘Daarna verliep ook niks normaal. Onmiddellijk kwam er een hele machine in actie, dat moest natuurlijk vanwege corona­gevaar.

Eerst kwam de schouwarts en, nadat we de begrafenisondernemer hadden gebeld, stonden er twee mensen voor de deur, dik ingepakt, om mijn vader op te halen. Details zal ik niet noemen, maar ontluisterend was het, niks waardigs aan. En mijn moeder? Die konden we na zijn vertrek nog even zien, naar bleek voor de laatste keer voorlopig. 63 jaar had ze met mijn vader geleefd, maar ook met beschermingskleren mocht ze geen afscheid van hem nemen. Zijn verlies moest ze alleen verwerken.’ ‘We deden wat we konden om onze vader een waardige uitvaart te bezorgen en onze moeder daar op afstand bij te betrekken. We hebben hem opgebaard in ons ouderlijk huis en daar met onze gezinnen een afscheid georganiseerd, dat mijn moeder en vrienden via een livestream konden volgen. Met zijn kist achter de fietskar – mijn vader deed alles op de fiets – hebben we hem naar de begraafplaats gebracht. Bekenden die dat wilden, fietsten mee. Het was het prachtigste weer van de wereld.’ Eerste uitje > ‘Ik ben fotograaf en heb alles – samen met een collega-fotograaf – vastgelegd in een boek. Toen ik dat later aan mijn moeder liet zien, sloeg het in als een bom. Alsof ze toen pas besefte wat ze gemist had. Vorige week zijn we met haar naar de begraafplaats geweest. Het was haar eerste uitje buiten het verpleeghuis en ik weet niet wat haar meer opwond: de rit in de auto of het graf van mijn vader. Als een kind dat buiten mocht spelen, zo blij zag ze eruit. Ik krijg er nog rillingen van.’ ‘Inmiddels komen de gemoederen iets tot bedaren, maar de machteloosheid tijdens de lockdown heeft erin gehakt. Het is onmenselijk om geen zeggenschap te hebben over je leven en je einde, vind ik. De offers van de corona­maatregelen zijn te groot. En met welk doel precies? Om kwetsbare ouderen te beschermen? In het tehuis van mijn ouders zijn talloze bewoners overleden. Het opsluiten en het weren van mantelzorgers heeft dus niet geholpen. Hoe moet dat als het virus opnieuw de kop opsteekt? Ik hoop vurig dat de regering en zorginstellingen dan beter weten. Heus begrijp ik dat je in zulke omstandigheden niet iedereen over de vloer wil als verpleeghuis, maar dierbaren tegenhouden is in ieder geval niet de oplossing. Zonder aandacht verkommeren mensen. Mijn moeder ook, een leven alleen kent zij niet. Wíj zijn haar medicijn.’•

Tekst: Teus Lebbing | foto: Frank Ruiter