Terugblik

Column Agnes Wolbert


We zijn nog niet helemaal aan het einde van 2020, maar toch heb ik de behoefte om terug te kijken. Niet zozeer vanwege het feit dat dit jaar alles anders werd. Wél omdat vorige maand een arts hoorde dat het om besloot niet tot vervolging over te gaan.    Hoe is dat verhaal begonnen? Met het enkele feit dat Rinus Otte werd aangesteld als procureur-generaal. Aandachtsgebied onder andere: medisch-ethische zaken. De eerste keer dat ik hem zag optreden, was niet in een rechtszaal, maar in een commissiezaal van het Tweede Kamergebouw. Er was een hoorzitting georganiseerd over euthanasie en in de verschillende gespreksrondes met experts ontstond een geanimeerde discussie. Rinus Otte zat in een van de laatste en maakte korte metten met de voorgaande beschouwingen. Uiteindelijk, zo zei hij, is er maar één die het laatste woord heeft. ‘Dat is de rechter.’ Niet lang daarna werd duidelijk waar de ambities van deze procureur-generaal liggen: hij kondigde in één keer strafrechtelijke vooronderzoeken aan naar de gang van zaken in maar liefst vijf gevallen. Dat was nog nooit vertoond en voelde als een machtsgebaar: wij zullen wel eens even laten zien wie hier de baas is. Terwijl elke evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) begint met de vaststelling dat de Nederlandse euthanasiepraktijk uiterst zorgvuldig is, terwijl voorzitter Jacob Kohnstamm in elke presentatie van het jaarverslag van de toetsingscommissies onderstreept hoe zorgvuldig, verantwoord en volgens de afspraken wordt gewerkt, vond het om dat er redenen waren om daaraan te twijfelen.

Er volgden jaren van onzekerheid en persoonlijke ellende voor de artsen die op het lijstje van vijf stonden. Terwijl Rinus Otte interview na interview in de dagbladen gaf en zich paginagroot liet fotograferen, zaten deze artsen in een soort kafkaiaanse werkelijkheid. Terwijl Rinus Otte op congressen mocht komen spreken, stonden er artsen op en liepen de zaal uit. In diezelfde periode van verhitte discussies en polariserende meningen waren er ook artsen die hun naam schreven onder een ‘niet stiekem’-manifest dat voor de artsen op het lijstje als een mes in de rug voelde.  Er is een hoge prijs betaald voor het initiatief van het om. Niet alleen voor degenen die op de lijst van vijf stonden, ook voor de beroepspraktijk in het algemeen. Daar waar in Nederland de artsen zich terecht goed beschermd voelden door de Wtl, is er nu toch – volkomen onterecht bleek later – geknaagd aan die zekerheid. Maar we leven in een rechtsstaat en we hebben uitstekende rechters. Zodat eerst de strafrechter en later de Hoge Raad korte metten maakten met de discussie over de grenzen van de wet. Dankzij ongegronde twijfel aan de werkwijze van vijf artsen ligt er nu een kraakheldere uitspraak (één ‘vrijgesproken’, vier geseponeerd). Een waar alle artsen zich door gesteund kunnen voelen en die klip en klaar helder maakt dat euthanasie bij vergevorderde dementie binnen de wet mogelijk is.  Ik heb vaak gedacht aan die uitspraak in de Tweede Kamer: de rechter heeft het laatste woord. De Hoge Raad had een betere conclusie: artsen horen niet voor de strafrechter te staan. Daar ben ik het hartgrondig mee eens. Voor de geloofwaardigheid van het om lijkt het me goed dat we daar voorlopig even niets meer van gaan horen. •