Artsen over het Expertisecentrum Euthanasie:

Van scepsis naar vertrouwen

Bij de start van de Levenseindekliniek in 2012 was de grootste zorg onder artsen of zij wel zorgvuldig genoeg met euthanasie zouden omgaan. Inmiddels zijn er goede contacten en is er respect voor de ervaring en deskundigheid van wat inmiddels Expertisecentrum Euthanasie is gaan heten.

Huisarts Folkert Allema ging in januari van dit jaar met pensioen na dertig jaar praktijk. Hij is nog wel SCEN-arts en heeft in die hoedanigheid in de loop der jaren een aantal patiënten van de Levens­eindekliniek gesproken. ‘In het begin spitten mijn collega’s en ik die dossiers uit om te zien of er geen twijfels waren. Gaandeweg zie je dat het vooral complexe gevallen zijn die hun weg vinden naar de kliniek en dat die met grote zorgvuldig­heid worden behandeld. Er zit serieus veel expertise en ervaring. Ik ken inmiddels een aantal van de artsen daar en we hebben een plezierig en gedegen contact. Dat is echt een verandering ten opzichte van het begin.’ Dat er vraag was naar een instelling als de Levenseindekliniek was volgens Allema duidelijk. ‘De kliniek is natuurlijk niet zomaar ontstaan. Er was een groeiende terughoudendheid onder huisartsen om zelf euthanasie te verrichten en te melden. Na de casus-Tuitjenhorn in 2013* werd die nog veel groter. Die casus is ingeslagen als een bom. Het resulteerde erin dat huisartsen die verzoeken doorschoven naar de Levenseinde­kliniek. Dat was niet de bedoeling, maar zo ging het wel in de praktijk.’

Punt van aandacht > De voorzitter van artsen­federatie KNMG, René Héman, onderschrijft het verhaal van Allema dat het Exper­tise­­­centrum een rol vervult bij complexe gevallen. ‘Als we al zorgen hadden bij de oprichting van de Levenseinde­kliniek over de zorgvuldigheid van hun handelen, dan zijn die in de loop van de jaren afgenomen. Onze contacten met het Expertisecentrum zijn goed. De artsen doen hun werk zorgvuldig en er bestaat duidelijk een behoefte. Een punt van aandacht is wel dat er vaak geen sprake is van een langdurige relatie met de patiënt, terwijl dat in onze ogen wel belangrijk is in een euthanasietraject.

Sowieso is het van belang om alle mogelijk­heden rond het levenseinde met de patiënt te bespreken. Euthanasie is immers niet de enige weg, terwijl dat wel de enige mogelijkheid is die het Expertisecentrum kan bieden.’ Héman plaatst vraagtekens bij de uitspraak van Allema over de vermeende angst. ‘Aan de hand van de cijfers kunnen we niet onderschrijven dat er zo’n grote angst onder huisartsen heerste in 2012 of 2013. Het aantal euthanasieverzoeken dat in die jaren werd uitgevoerd door huisartsen, steeg namelijk.’ Overbodig > Tijdens het 5-jarige lustrum van de Levenseindekliniek in 2017 werd de wens uitgesproken in de toekomst overbodig te worden. Niets wijst erop dat dat gaat gebeuren. Allema: ‘De randvoorwaarden zijn er wel. We hebben goede regionale toetsingscommissies en hun Code of Practice. Misschien is de angst voor strafrechtelijke zaken inmiddels afgenomen, maar je ziet tegelijkertijd een verandering in het landschap van de huisartsen. Er komen steeds meer jonge artsen die parttime werken en nog niet de ervaring hebben die nodig is voor het uitvoeren van een euthanasie. Het is ook niet niks. Als ik me iets herinner van de dertig jaar dat ik huisarts ben geweest, dan zijn het de negen patiënten die ik euthanasie verleende. Dat neem ik mee tot in mijn graf. Ik begrijp dat artsen het moeilijk vinden. Het is ook geen plicht, al schijnen veel mensen dat wel te denken. Dus het is goed dat mensen bij de Levenseindekliniek terecht- kunnen. Ik heb zelf ook een patiënt naar hen doorverwezen.’ Ook Héman denkt niet dat het Expertisecentrum in de nabije toekomst zal verdwijnen. ‘Als je kijkt naar de cijfers, dan zie je ieder jaar een toename van uitgevoerde euthanasieverzoeken door het Expertisecentrum.’

Niet in elkaars vaarwater > Vorig jaar veranderde de naam van de Levenseinde­kliniek. Allema: ‘Of ik achter die naamsverandering – die op een koerswijziging duidt – sta, weet ik niet. Het is aan de KNMG en de huisartsen om voor goede bijscholing te zorgen. Ik heb er geen bezwaar tegen dat het Expertisecentrum bijscholing geeft, maar ik weet niet of je het moet laten afhangen van een organisatie die oorspronkelijk uit de NVVE is voortgekomen. Zij zijn voor euthanasie, voor volledige zelfbeschikking. Dat is hun goed recht. Maar ik zou het apart vinden als dát de club is die huisartsen gaat bijscholen. Het Expertise­centrum heeft inderdaad expertise, namelijk over euthanasie bij zeer complexe gevallen. In het overgrote deel van de gevallen voert de huisarts nog steeds de euthanasie uit. En ook daar komt, vermoed ik, geen verandering in.’ Héman is het met Allema eens dat bijscholing van groot belang is. ‘Alleen is de KNMG geen scholingsinstituut. Wel ondersteunen wij het Nederlands Huisartsen Genootschap bij het ontwikkelen van scholing. De nadruk ligt bij ons op het steunen van artsen met onze Artseninfolijn en het maken van praktijkdilemma’s, hand­reikingen en richtlijnen. Momenteel zijn we bezig met het in een geheel vatten van alle bestaande richtlijnen rondom het levenseinde, dus ook die bij psychiatrische patiënten en bij een stapeling van ouderdomsklachten. Wij beschrijven de standaard op basis waarvan een arts kan handelen rond het levenseinde. Als het Expertisecentrum bijscholing wil geven, prima. Er werken daar artsen met veel ervaring. Ik geloof niet dat we in elkaars vaarwater zitten.’ •

* In 2013 overleed een patiënt in Tuitjenhorn nadat zijn huisarts hem een hoge dosis morfine had toegediend. De inspectie maakte er melding van bij het Openbaar Ministerie, waarna de huisarts op non-actief werd gesteld. Kort daarna maakte hij een eind aan zijn leven.

Tekst: Martien Versteegh • Illustratie: Bjorn Nelissen