ZIJ DIE ACHTERBLIJVEN

Toen Frederik begon, verzocht hij zijn vrouw hem eerst helemaal uit te laten praten voor ze een reactie gaf. Achteraf snapt Annelies dat want, zo bekent ze: ‘Anders zou ik hem al na twee zinnen in de rede zijn gevallen. Ik wilde niet over sterven praten. Hij wel.’ Aanleiding voor het gespreksonderwerp was het coronavirus geweest. Dat had Frederik aan het denken gezet. Zou hij, mocht hij besmet raken, zich laten opnemen op een intensive care? Daar aan de beademing liggen? Twee, drie weken in slaap worden gehouden, er beroerd uitkomen, als hij het al zou overleven? Hij had het gevoel gekregen dat het leven op rantsoen was gezet; er niet genoeg over was voor iedereen. Er moesten keuzes worden gemaakt. Hem was al een ruime portie leven gegund. Zijn tachtigste verjaardag had hij een half jaar geleden gevierd met familie en wat vrienden. Niet uitbundig, maar gezellig was het wel geweest. Een doodswens had hij niet, angst voor de dood ook niet. Annelies vertelt het rustig. ‘Aanvankelijk had Frederik het vooral over de rationele argumenten om een dergelijke zware, belastende opname te weigeren. Maar wat me overtuigde, was wat daarop volgde. Hij zei: “Het belang van de liefde wordt onderschat. Wekenlang alleen zijn, geïsoleerd worden, dat is geen leven. Dat jij mijn wang streelt, mijn hand vasthoudt, naar me glimlacht, een – zelfs flauw – grapje maakt, is me meer waard dan langer leven.”’

Tekst: Marijke Hillhorst

Deel deze pagina