Vier jaar ‘houd-het-maar-beter-stilbeleid

Column Agnes Wolbert


Als ik terugkijk op vier jaar VVD, CDA, CU, D66, dan is het de coalitie goed gelukt om alle levenseinde-onderwerpen naar de achtergrond te drukken. Wel kwam er meer aandacht voor de bestrijding van eenzaamheid. Heel goed, want wie wil het verdriet van eenzame mensen nou niet de wereld uit helpen? Maar het is ook een manier om euthanasie te bestrijden. Mensen die vinden dat ze lang genoeg hebben geleefd, worden niet alleen in strikt christelijke kring nét iets te vaak getypeerd als slechts eenzaam en heus niet levens­moe. Dus: nog te redden van een zelfgekozen levenseinde.    Het was dankzij het laatstewilpoeder van de Coöperatie Laatste Wil (CLW) dat het de coalitie niet echt lukte om de discussie over wie er nu eigenlijk baas is over de eigen dood, te smoren. Het was meer dan een storm in een glas water die de CLW veroorzaakte. Het simpele feit dat ze groeide van 7000 naar 25.000 leden, mag daar het bewijs voor zijn.   De echte genadeklap voor het ‘houd-het-maar-beter-stilbeleid’ van dit kabinet kwam uit onverwachte hoek. Van een bijna gepensioneerde, bekwame en empa­thische specialist ouderen­genees­kunde die aan een patiënt met vergevorderde dementie euthanasie verleende. Ineens stond de combinatie euthanasie en dementie bovenaan in de discussie-top-10. Vooral de kwaliteits­kranten besteedden veel aandacht aan de rechtsgang van Marinou Arends. De straf­rechter maakte duidelijk dat haar niets aan te rekenen viel en daarna maakte de Hoge Raad korte metten met de aanklacht van het Openbaar Ministerie. Een patiënt met vergevorderde dementie hoeft niet nóg eens gevraagd te worden of ze echt wel euthanasie wil. Dan volstaat de constatering dat iemand ondraaglijk lijdt en doet de schriftelijke wilsverklaring wat ze moet doen: in de plaats van een mondeling verzoek treden.

Niet lang daarna legde Pia Dijkstra haar Voltooid Leven-wetsvoorstel neer in het parlement. En zo gebeurde het dat het zelfgekozen levenseinde toch op de kaart stond in de afgelopen kabinetsperiode. Na vier jaar gedwongen pas op de plaats en stilte verwacht je op het onderwerp zelfbeschikking nu bij de politieke partijen een grote sprong voorwaarts. Helaas is dat niet het geval. De meer progressieve partijen hebben de sociaal­economische agenda als absolute prioriteit. Begrijpelijk, na covid-19 vraagt economisch herstel alle aandacht en de huizenmarkt moet eindelijk eens toeganke­lijker worden. Maar het had prima samen gekund: sociaaleconomisch herstelbeleid én aandacht voor waarden als zelfbeschikking en een waardig levenseinde. De VVD verdient hier een compliment: in het verkiezings­programma is er juist veel aandacht voor een beleid dat recht doet aan de stervenswensen van mensen. Niet volgens een keurslijf van wettelijke voorschriften en verboden, maar met ruimte voor ieders persoonlijke keuze. Ook de SGP besteedt er overigens veel aandacht aan. Maar dan in omgekeerde zin... De wrange realiteit is dat er meer mondige ouderen zijn dan ooit en dat door corona de vraag hoe je wilt overlijden elke dag actueel is. Dat het merendeel van de politieke partijen de medisch-ethische vraagstukken aan anderen overlaat, is geen fijne gedachte in een steeds conservatiever wordende samenleving. Ik mag toch hopen dat we niet een tweede regerings­periode op rij gaan meemaken waarin ons dossier met geen mogelijkheid vooruit te krijgen is. Ik wil maar zeggen: ‘O Nederland, let op uw saeck...’ •