De vrijwilliger

Column Hans van Amstel-Jonker


Keuzemenu

Ik ontmoette Adriaan in november 2019. Hij had ernstige gezondheidsproblemen: de zwaarste vorm van COPD (een longziekte), met bijkomende klachten. Zijn lichaam liet hem steeds meer in de steek. Zo had hij ‘een zeer wispelturige stoelgang’ waardoor hij te pas en onpas naar het toilet moest of juist dagenlang niet kon. Door deze beperkingen was hij gekluisterd aan huis, een zelfstandig appartement in een zorginstelling. Als ik Adriaan kort moet beschrijven: een grote mond, een kort lontje en een klein hartje. Met de eerste twee eigenschappen maak of hou je geen vrienden en familie. Hij had een buddy, die al enkele jaren trouw bij hem op bezoek kwam. Er was wederzijds respect. Ook een voormalige thuiszorgmedewerkster kwam elke week boodschappen voor hem doen. Als hij zijn dag niet had, snauwde hij haar af en als ze terugkwam met de boodschappen, bood hij zijn excuses aan voor zijn gedrag. Contact met familie was er niet, zijn dochter had hij na zijn echt­scheiding al veertig jaar niet meer gezien. Een verzoeningspoging mislukte. Een paar zorg­medewerkers vonden hem ‘uitdagend’ om mee om te gaan, met hen had hij een goede band. Steeds vaker gaf Adriaan aan dat hij het genoeg vond. Hij overwoog om zijn scootmobiel ‘voor de trein te zetten’. Zijn buddy weerhield hem daarvan en adviseerde hem contact op te nemen met de NVVE voor een waardig levenseinde. Zo kwam ik in beeld. Tegen mij was hij hetzelfde: grote mond, kort lontje, klein hartje. Ik kon hem ervan overtuigen dat die trein geen optie was. Euthanasie was een betere, en ook zeker haalbare. De huisarts had eerder negatief gereageerd op zijn euthanasie­vraag. Het liefst wilde Adriaan gewoon een pilletje dat hij kon innemen als hij het zat was. Hij had met veel moeite het Handboek De Vredige Pil bestudeerd, maar was niet computer­vaardig genoeg om tot verdere actie over te gaan. Hulp daarbij is strafbaar.

Dus moest hij zich maar ‘schikken naar het regime van het Expertisecentrum Euthanasie’, zoals hij mij een keer toefluisterde. Bij het eerste gesprek was het voor het team van het Expertisecentrum duidelijk dat euthanasie bij Adriaan uitvoerbaar was. Zijn conditie werd inmiddels per week slechter en hij stemde ermee in dat de SCEN-arts kwam. ‘Belachelijk gedoe’ vond hij natuurlijk, want die stond na een half uur weer buiten. Weliswaar met een positief advies, maar Adriaan hield niet van ‘onnodige formaliteiten’. Tijdens het derde bezoek van het Expertise­centrum werd de datum voor euthanasie afgesproken: twaalf dagen later. Binnen een paar dagen kwam Adriaan echter zijn bed niet meer uit, hij ging zienderogen achteruit. De dag vóór de euthanasie werd ik ’s ochtends gebeld door de zorgmede­werkers. ‘We denken dat hij stervend is.’ Ik ging er snel naartoe, omdat we op de valreep hadden afgesproken dat ik zijn gevolmachtigde zou zijn inzake medische beslissingen, mocht er zich iets voordoen. Ik trof Adriaan aan die met zijn laatste krachten naar lucht hapte, daarbij nog steeds ondersteund door een zuurstofapparaat. Ik vroeg wat er gebeurde als dat apparaat werd uitgezet. ‘Dan sterft hij nog iets sneller’, was het antwoord. ‘Hij zou willen dat het wordt uitgezet’, zei ik, en zo geschiedde. Binnen vijf minuten overleed hij vredig. Ik voelde opluchting. Tijdens onze gesprekken waren alle opties voor een zelfgekozen levenseinde de revue gepasseerd: zelfdoding, euthanasie, stoppen met behandelen, sterven in eigen regie. Uit dit keuzemenu was het uiteindelijk gegaan zoals het beste bij hem paste en zoals hij het ’t liefste wilde: in zekere zin stierf hij in eigen regie. Zo kan het dus ook. •

Bij de NVVE werken zo’n 140 vrijwilligers. Ze doen presentaties, helpen bij bijeenkomsten, leggen huisbezoeken af en ondersteunen leden bij al hun vragen rond het levenseinde. Hans van Amstel-Jonker en Jaap van Riemsdijk zijn twee ervaren vrijwilligers. Om beurten beschrijven zij een ervaring uit de praktijk.