Ethicus Rosalie Pronk over euthanasie bij mensen met een psychische aandoening:

‘Complex, want vaak hebben zij meerdere ziektebeelden’

‘Wanneer is de situatie van iemand met een psychische aandoening uitzichtloos te noemen? Dat is een van de moeilijk te beantwoorden vragen in het traject richting euthanasie bij psychisch lijden.’ Aan het woord is ethicus Rosalie Pronk.

Pronk deed eerst een bachelor psychologie. Hoewel ze de stof enorm interessant vond, zag ze zichzelf destijds niet per se therapeut worden. Dus koos ze daarna voor een bachelor en master wijsbegeerte, richting ethiek. ‘Het sprak me aan dat we daar overkoepelend over dingen nadenken. Ook het onderwerp euthanasie kwam voorbij, vanuit filosofisch perspectief. Wat betekent bijvoorbeeld autonomie in deze context?’ Toen een docent haar een vacature doorstuurde van Amsterdam UMC waarbij ze zich bezig mocht gaan houden met de derde evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl, de euthanasiewet), leek haar dat interessant. Ze kreeg de baan en later volgde een promotieplek. ‘Er is nog niet veel empirisch onderzoek (proefondervindelijk onderzoek, gebaseerd op experimenten, red.) gedaan rondom euthanasie in de psychiatrie. Wij vonden dat het daar tijd voor was. Het is een complex thema. Meestal is er bij patiënten met een wens voor euthanasie sprake van meerdere ziektebeelden. Iemand worstelt bijvoorbeeld met depressie, een persoonlijkheidsstoornis en een angststoornis. Aan het einde van welk behandelprotocol moet iemand dan zijn gekomen, voor je kunt zeggen dat hij echt uitbehandeld is? Een essentieel onderdeel van een therapie is de relatie tussen patiënt en arts. Een behandeling die bij arts A mislukt, kan zomaar slagen bij arts B. In theorie kun je dus eindeloos behandelen, maar het gaat om de redelijkheid van de behandeloptie. Dat woord “redelijk” is van groot belang. Hoe redelijk is het om iemand die al dertig last heeft van een stemmingsstoornis, te zeggen dat er altijd nóg een behandeling mogelijk is?’ Rust en ruimte > Pronks proefschrift bestond uit vragenlijsten voor en interviews met behandelaars, interviews met patiënten en met hun naasten. ‘Patiënten willen graag gehoord worden. Euthanasie is geen recht en het staat iedere arts vrij om daar niet aan mee te willen werken, maar de behoefte van de patiënt om er een gesprek over te kunnen voeren is groot. Ook dat blijken artsen vaak lastig te vinden. Ze zijn gericht op het leven en op behandelen. Terwijl júíst het erover praten soms zelfs zoveel rust en ruimte geeft, dat de euthanasiewens minder dwingend wordt of in sommige gevallen zelfs verdwijnt.’

Artsen maken onderscheid tussen een impulsieve suïcidaliteit, chronische suïcidaliteit en een rationele doodswens, ook wel balans-suïcide genoemd. Alleen in dat laatste geval vinden artsen euthanasie een optie. ‘De impulsieve suïcidaliteit spreekt redelijk voor zich, maar het verschil tussen chronische suïcidaliteit en een rationele doodswens is heel lastig te bepalen. In dat laatste geval heeft het gevoel niet meer te maken met de omstandigheden, die wens is er ongeacht hoe het gaat. Dat zijn mensen die zeggen: “Zelfs op mijn ‘goede’ dagen wil ik dood.” Achterhalen of dat zo is, vergt veel inzicht en tijd. Dat zou eventueel pleiten voor betrokkenheid van de huisarts. Daar heeft een patiënt toch veelal de meest langdurige relatie mee. De huisarts kent ook de sociale context, omdat familieleden vaak naar dezelfde praktijk gaan. Uit de vragenlijst bleek dat er zeker huisartsen zijn die openstaan voor het geven van euthanasie bij psychiatrische problematiek, maar ze vinden het niet gemakkelijk. Ze hebben het gevoel niet genoeg expertise te hebben. Huisartsen zijn natuurlijk geen specialisten en ze hebben vaak niet veel ervaring met euthanasie in deze context. Dat gebrek aan ervaring geldt ook voor psychiaters. In 2020 kregen 88 mensen met een psychische aandoening euthanasie, een groot deel daarvan werd uitgevoerd door het Expertisecentrum Euthanasie.’ Zou het niet eenvoudiger zijn als het Expertisecentrum alle gevallen op zich zou nemen? ‘Dat is de oplossing niet, want de wachttijd is daar nu al twee jaar. Moet je je voorstellen dat je het leven ondragelijk vindt en te horen krijgt dat je nog minstens twee jaar moet wachten voor je überhaupt weet of je in aanmerking komt voor een euthanasietraject of niet. Dat is toch schrijnend?’ Crustatieve zorg > Ook is het schrijnend dat patiënten aangaven dat de ggz-zorg vaak niet aansluit bij hun vraag. ‘Een patiënt met anorexia werd geweigerd in de eetstoornissenkliniek omdat ze stemmen hoorde. Maar ze kon ook niet terecht in een kliniek waar ze haar mogelijk konden behandelen tegen de stemmen in haar hoofd, omdat ze ongezond mager was. Zij gaf aan geen euthanasie te willen, ze wil een behandeling, maar kan het leven zo niet meer aan. Dat is natuurlijk vreselijk.’ Voorzichtig oppert Pronk dat crustatieve zorg, zoals ze die bij onze zuiderburen kennen, interessant kan zijn. ‘Crusta betekent schelp of schaal: je creëert een beschermingslaag om iemand heen van verschillende specialisten én naasten om palliatieve zorg te verlenen. Het doel is niet genezing, maar het dragelijker maken van de situatie en de kwaliteit van leven verbeteren, zoals we dat bij mensen met een ongeneeslijke somatische aandoening ook doen.’ •

Tekst: Martien Versteegh • Foto: Josje Deekens